op de pier nadert de wandelaar

het einde, waar de meeuwen wachten

op dat de vloed hen weer wegdrijft

van hun eten, hun tafel ververst,

de meeuwen gaan schreeuwen naar

de naderende wandelaar, hij schrikt

wakker uit zijn spiegelende gedachtes

geschonken door de aanschouwing

van de zee, glijdt uit op de groene

basaltblokken, zijn doodshoofd scheurt,

opent en zijn

zijn glijdt uit zijn lijf, de meeuwen

vliegen op, dalen weer neer,

langzaam naderen zij de liggende

wandelaar, tafelen verder

tot de zee de pier in beslag neemt