BRIEF IN EEN FLESCH GEVONDEN


 

Hij stiet op ’t rif met volle zeilen

En is met vloed weer vlot geraakt

Mar zakte diep, er stond bij ’t peilen

Drie vaam in ’t ruim, hij was gekraakt.


 

Toen alle deckhands aan de pompen,

De schipper, daar het water steeg,

Trachtte ons ijver in te stompen.

Wij plunderden de drankkast leeg.


 

Hij liep op en neer over ’t reddeloos wrak

Als een rat in de val; “wij zinken”

Ik lag al te kooi met een flesch cognac

Mij een laatste roes te drinken.


 

Ik keek door de poort: een boot stiet af

En trachtte een prauw te paaien

Ik ging naar een eerlijk zeemansgraf

Zij stierven aan de aasgaaien.


 

(gedeelte onleesbaar).


 

Wij zijn uit een langen roes ontwaakt

De storm was geluwd dagen later.

We zijn op een vlot aan wal geraakt

En vonden vruchten, zoet water;


 

En, in een diepe koele grot,

Een aangename woning,

Wij zijn tevreden met ons lot,

Gelukkiger dan een koning.


 

En lijden maar aan twee dingen gebrek

Waarvoor wij een pink wilden geven.

Wij hebben hier geen draadje shag,

En nog veel minder jenever.


 

Gij die deez’ flesch op ’t strand mocht vinden

Doe in een kist wat drank en tabak

En stuur het met zeestroom en winden naar de overlevenden van ’t wrak

Der Insulinde.


 

J.Slauerhoff (dichter, romanschrijver, 1898 - 1936)