Een stoomfluit in de nacht”


 

Een meisje vraagt aan een jongen: ‘Hoeveel hou je van me?’

De jongen denkt even na en antwoordt dan met zachte stem: ‘Zoveel als van een stoomfluit midden in de nacht.’

Het meisje zegt niets, maar wacht tot hij verdergaat. Hier zit beslist een verhaal aan vast.

Soms word ik midden in de nacht wakker,’begint hij. ‘Ik weet niet precies hoe laat, maar ik neem aan een uur of twee, drie. Het juiste uur doet er ook niet zo toe. In elk geval, het is in het holst van de nacht en ik ben helemaal alleen. Er is geen mens om me heen. Probeer je dat even voor te stellen, wil je? Alles is pikzwart, je ziet geen hand voor ogen. Je hoort geen enkel geluid. Niet eens de klok terwijl hij seconden aftikt. Misschien staat hij wel stil. En dan voel ik me plotseling ongelooflijk ver verwijderd van iedereen en alle plaatsen die ik ken. Ik ben van alles en iedereen afgesneden. Er is op deze wijde wereld niemand die van me houdt, niemand die tegen me spreekt, niemand die zich mijn bestaan herinnert. Al verdwijn ik helemaal, dan is er niemand die dat zal merken. Ik voel me net alsof ik ben opgesloten in een dikke ijzeren kist die naar de boden van een diepe zee is gezonken. De druk is zo zwaar dat mijn hart wordt verscheurd door pijn. Nog even en het lijkt in tweeën te barsten. Begrijp je hoe dat voelt?’

Het meisje knikt. Ik geloof van wel, denkt ze.

De jongen gaat verder. ‘Het is waarschijnlijk een van de bitterste dingen die een mens in zijn leven kan ervaren – een gevoel zo bitter en droef dat je echt maar het liefst dood zou gaan. Nee, niet het liefst dood zou gaan: als er niet wordt ingegrepen, raakt de zuurstof op en ga je werkelijk dood. Het is niet zomaar een voorbeeld. Het is echt. Dat is het wat het betekent om midden in de nacht in je eentje wakker te worden. Begrijp je dat?’

Het meisje knikt zwijgend. De jongen is even stil.

Maar op dat ogenblik hoor in de verte een stoomfluit – een heel, heel verre stoomfluit. Ik heb er geen idee van waar die trein zou kunnen rijden, van zo ver weg komt het. Het geluid is zo zacht dat ik me moet afvragen of ik het wel echt gehoord heb. Mar ik wéét dat het de stoomfluit is van een locomotief. Daar is geen twijfel aan. In het diepst van de duisternis hou ik mijn oren gespitst. Dan vangen ze het geluid nóg eens op. En dan doet mijn hart niet langer pijn. De wijzers van de klok bewegen weer. De ijzeren kist rijst langzaam op van de zeebodem en drijft naar de oppervlakte. Dat komt allemaal door die heel verre, vage stoomfluit – een geluid zo zwak dat je niet eens weet of het wel echt is. En zoals ik van die stoomfluit hou, zo hou ik van jou.’

Hier beëindigt de jongen zijn verhaal, en het meisje begint aan de hare.

...Haruki Murakami (1949 – )